Column door Henk Ferwerda
Voor de meeste docenten is het een ongemakkelijke gedachte: een leerling die met een wapen naar school komt. Tegelijkertijd is er vaak ook een reflex om het te relativeren. Dat zal hier toch niet gebeuren? In de Nederlandse praktijk ligt de waarheid ergens in het midden. Wapens op school zijn geen massaal probleem, maar ze komen wel degelijk voor. En wanneer het gebeurt, kan de impact groot zijn.
Het internationale beeld van wapens op school wordt – vanwege school shootings – vaak gedomineerd door vuurwapens, maar in Nederland gaat het vrijwel altijd om steekwapens: een vlindermes, een keukenmes, een zakmes, soms een schroevendraaier. Af en toe gaat het om pepperspray, een nepvuurwapen of een alarmpistool. Vuurwapens zijn op Nederlandse scholen gelukkig een zeldzaamheid.
Onderzoek onder scholieren laat zien dat het merendeel van de leerlingen nooit een wapen bij zich draagt. In zelfrapportageonderzoeken geeft doorgaans twee tot vier procent van de leerlingen aan dat zij wel eens een wapen – meestal een mes – bij zich hebben gehad. Dat lijkt een klein percentage, maar in een gemiddelde middelbare school betekent het dat er altijd een paar leerlingen zijn voor wie het meenemen van een wapen geen ondenkbare stap is.
Incidenten laten zien hoe dat er in de praktijk uitziet. In de afgelopen jaren werden in verschillende Nederlandse steden leerlingen aangehouden omdat zij met een mes op school verschenen. Soms na een tip van een medeleerling, soms na een conflict dat dreigde te escaleren. In een enkel geval liep een ruzie tussen leerlingen daadwerkelijk uit op een steekincident op of rond het schoolplein. Zulke incidenten zijn zeldzaam in verhouding tot de ruim 900.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs, maar ze laten wel zien dat het probleem bestaat.
Wie naar de groep jongeren kijkt die wapens bij zich draagt, ziet dat het zelden om een willekeurige leerling gaat. Het zijn overwegend jongens, vaak in de oudere leerjaren, en het gedrag staat zelden op zichzelf. Wapenbezit hangt vaak samen met andere vormen van risicogedrag: vechtpartijen, conflicten tussen groepen jongeren, of betrokkenheid bij straatgroepen. Ook spelen individuele risicofactoren veelal een rol. In criminologisch onderzoek wordt dat wel gezien als een cluster van probleemgedrag en risicofactoren.
Opvallend is dat veel jongeren niet zeggen dat ze een wapen meenemen om iemand aan te vallen, maar juist uit angst en voor hun eigen veiligheidsgevoel. Ze denken dat anderen mogelijk ook een mes bij zich hebben en willen zich kunnen verdedigen. Daarmee ontstaat een veiligheidsparadox: juist doordat jongeren wapens meenemen, neemt de kans toe dat een conflict escaleert. Er is dan dus sprake van een vals gevoel van veiligheid.
Voor scholen is daarom niet alleen de vraag hoe vaak het voorkomt, maar vooral wat eraan te doen is. De eerste stap is duidelijkheid. Scholen waar expliciet wordt uitgesproken dat wapens absoluut niet thuishoren op school, en waar die norm ook wordt gehandhaafd, geven een belangrijk signaal af. Regels en consequenties helpen om grenzen te markeren.
Minstens zo belangrijk is signalering. Leerlingen weten vaak eerder dan volwassenen dat er spanningen zijn of dat iemand overweegt een mes mee te nemen. Docenten en mentoren spelen een cruciale rol wanneer zij zulke signalen serieus nemen en weten waar ze ermee terecht kunnen.
Daarnaast is het belangrijk om te beseffen dat conflicten tussen jongeren zich niet beperken tot het schoolplein. Ruzies beginnen steeds vaker online, op sociale media of in groepsapps, en kunnen vervolgens de school binnenkomen. Wie wapens op school wil voorkomen, moet dus ook aandacht hebben voor die dynamiek.
Tot slot speelt het schoolklimaat een belangrijke rol. Onderzoek laat zien dat scholen waar leerlingen zich gezien voelen, waar docenten zichtbaar aanwezig zijn en waar conflicten vroeg worden besproken, minder problemen hebben met wapens en geweld. Preventie zit vaak in kleine dingen: gesprekken over groepsdruk, aandacht voor spanningen tussen groepen leerlingen en samenwerking met ouders, jongerenwerk en politie wanneer dat nodig is.
Wapens op school zijn dus geen massaal fenomeen, maar ook geen mythe. Het gaat om een kleine groep jongeren, vaak met herkenbare risico’s en spanningen. Juist daarom kunnen scholen een verschil maken. Door duidelijke normen te stellen, alert te zijn op signalen en te investeren in een veilig schoolklimaat, kan worden voorkomen dat een mes in een schooltas verandert in een incident dat niemand had gewild
Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.
