Over de effectiviteit van de aanpak van drugscriminaliteit
Column door Henk Ferwerda
Soms zijn het niet de antwoorden die aan het denken zetten, maar de vragen. Dat overkwam mij bij het lezen van de essays van Wim van de Pol. Van de Pol is journalist en auteur van tal van publicaties over drugs en georganiseerde criminaliteit. In zijn essays ‘De blinde vlek van de drugsoorlog’ stelt hij een ongemakkelijke vraag. Niet zozeer over de drugscriminaliteit zelf, maar over de manier waarop wij die al tientallen jaren bestrijden. Die vraag zette mij aan het denken.
Wie zich bezighoudt met georganiseerde criminaliteit, ontkomt niet aan de dagelijkse realiteit van de drugseconomie. Uithalers, explosies, jonge aanwas, corruptie en geweld zijn inmiddels vaste onderdelen van het veiligheidslandschap geworden. Terecht gaat veel aandacht uit naar de daders, hun netwerken en hun werkwijzen. Maar misschien kijken we daardoor te weinig naar onszelf.
Al decennialang investeren we in opsporing, vervolging, gevangenissen, internationale samenwerking en het onderscheppen van drugs. Dat is logisch, want niets doen is geen optie.Tegelijkertijd valt op dat veel minder aandacht uitgaat naar de vraag wat deze inspanningen op de langere termijn precies opleveren. Welke maatregelen werken? Welke niet? En welke onbedoelde effecten brengen zij met zich mee?
In de wetenschap wordt veel onderzoek gedaan naar criminelen, maar opvallend weinig naar de effectiviteit van de bestrijding zelf. Dat is opmerkelijk. Juist bij grote maatschappelijke vraagstukken zouden zelfreflectie en evaluatie vanzelfsprekend moeten zijn. Dat betekent niet dat de schade van de georganiseerde drugscriminaliteit moet worden gebagatelliseerd. Integendeel. De slachtoffers van intimidatie, geweld, aanslagen met explosieven en uitbuiting herinneren ons dagelijks aan de ernst van het probleem.
Ook de vele jongeren die worden geronseld voor de onderwereld verdienen onze aandacht. Achter de façade van snel geld gaan vaak risicofactoren om in- of door te groeien in de zware criminaliteit schuil. Denk aan schulden, voortijdig schoolverlaten, onderdeel zijn van een criminele groep of een gebrek aan perspectief. De jongeren die taken uitvoeren in de drugscriminaliteit zijn meestal niet alleen dader, maar regelmatig ook slachtoffer. Naast een veiligheidsvraag, ligt daar ook een duidelijke zorgvraag, zo valt te lezen in de meest recente rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel.
Misschien ligt de uitdaging daarom niet in de keuze tussen méér of minder repressie, tussen legaliseren of verbieden, maar in een andere vraag. Zijn we voldoende bereid om niet alleen de criminelen, maar ook ons eigen handelen kritisch onder de loep te nemen?
De geschiedenis leert dat geen enkele aanpak vanzelfsprekend effectief is. Dat geldt ook voor de bestrijding van drugscriminaliteit. Misschien is de grootste blinde vlek van de drugsoorlog niet dat we te weinig weten over criminelen, maar dat we te weinig onderzoeken en reflecteren op wat ons eigen optreden uiteindelijk oplevert. Er worden door gemeenten, RIEC’s en anderen prachtige plannen gemaakt en projecten opgestart, politie en justitie steken veel tijd in opsporing en vervolging maar wie kijkt er eigenblijk naar of en hoe dat uitgevoerd wordt en wat de opbrengsten zijn?
En juist daarom vind ik de essays van Wim van de Pol zo waardevol. Niet omdat zij alle antwoorden geven, maar omdat zij ons dwingen de juiste vragen te stellen.
Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.
