De vraag klinkt simpel. Wat werkt tegen jeugdcriminaliteit?
Het antwoord is dat niet.
Column door Henk Ferwerda
In het debat over jonge aanwas hebben we de neiging om te doen alsof er een gereedschapskist bestaat waar we alleen nog maar het juiste instrument uit hoeven te pakken. Maar wie iets langer kijkt, ziet dat die gereedschapskist verrassend leeg is. Of beter: slecht gevuld met bewijs. We weten minder dan we denken. En toch handelen we alsof we het zeker weten. Dat is geen pleidooi voor stilstand; integendeel.
We weten namelijk wél iets. Niet alles, maar genoeg om richting te geven. De kern is eigenlijk pijnlijk eenvoudig: jeugdcriminaliteit ontstaat niet uit het niets. Het is vrijwel altijd een optelsom van kwetsbaarheid, verleiding en gelegenheid. Geen school, schulden, verkeerde vrienden, behoefte aan status. En tegelijk het ontbreken van structuur, perspectief en iemand die je ziet.
Wie dat niet scherp heeft, kiest bijna altijd de verkeerde interventie. Dan wordt gedrag bestreden zonder de context te begrijpen. En dat is dweilen met de kraan open.
Effectieve aanpak begint dus niet met een interventie, maar met een analyse. Waarom zit deze jongere in de gevarenzone? Wat speelt er? Wat ontbreekt er? Pas daarna komt de vraag wat je doet.
Wat vervolgens opvalt, is dat veel succesvolle – en soms erkende – aanpakken eigenlijk hetzelfde doen. Ze verlagen risicofactoren en versterken beschermende factoren. Ze brengen structuur, bouwen relaties op en bieden perspectief. Maar ze stellen ook grenzen. Duidelijke grenzen.
Daar zit ook een ongemakkelijke waarheid. Preventie zonder repressie is tandeloos. Repressie zonder preventie is eindeloos.
De kracht zit in de combinatie. Dat zien we bijvoorbeeld terug in aanpakken zoals gerichte afschrikking: focus op een kleine groep, duidelijke normstelling, zichtbare consequenties én een uitweg voor wie wil stoppen. Niet soft, niet hard, maar consequent.
En misschien nog wel belangrijker: op tijd. Niet wachten tot iemand is ‘doorgegroeid’, maar vroeg signaleren. Daar waar het begint: op hotspots, op momenten waarop het misgaat, in groepen waar gedrag zich versterkt. Wie daar te laat is, loopt altijd achter de feiten aan.
Tegelijk moeten we eerlijk zijn over wat het vraagt. Goede aanpakken zijn zelden eenvoudig. Ze vragen samenwerking, informatie, continuïteit en professionals die het verschil maken. Good persons, zoals dat zo mooi heet. Mensen die niet alleen regels uitvoeren, maar ook betekenis geven.
En goede aanpakken vragen iets anders: tempo. Niet het tempo van systemen, maar het tempo van de straat. Jongeren wachten niet op beleid. Problemen ook niet. Ook de wil en motivatie bij een jongere om te willen veranderen is cruciaal. En als de straat harder aan de jongere trekt dan de staat is de kans kleiner dat een jongere andere keuzes gaat maken dan uit de criminaliteit te stappen.
Misschien is dat wel de belangrijkste les dat er niet gezocht wordt naar dé interventie die alles oplost, maar te investeren in een aanpak die klopt in de kern: scherp kiezen, goed kijken en consequent handelen.
Dat is minder spectaculair dan het klinkt, maar wel effectiever.
Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.
