Column door Henk Ferwerda
In de nacht van vrijdag 14 op zaterdag 15 augustus 2026 gaat de politie in Nijmegen naar een woning na een melding over geschreeuw. Binnen escaleert de situatie. Agenten proberen een man aan te houden, hij verzet zich, wordt onwel en overlijdt. Medische hulp mag niet meer baten.
De Rijksrecherche onderzoekt wat er precies is gebeurd. We weten dus nog niet waaraan de man is overleden en welke rol het politieoptreden daarbij heeft gespeeld. Daarover past terughoudendheid.
Het incident roept bij mij onmiddellijk herinneringen op aan een onderzoek dat we enkele jaren geleden uitvoerden. Voor Fatale politie-incidenten kregen we als onderzoekers toegang tot vijftig afgesloten dossiers van de Rijksrecherche uit de periode 2016-2020. We wilden niet weten of politiemensen goed of fout hadden gehandeld. Dat onderzoekt de Rijksrecherche. Onze vraag was een andere: wie zijn de mensen die overlijden binnen de context van politieoptreden en wat gebeurt er in de uren, dagen en maanden voordat zo’n confrontatie fataal afloopt? Het antwoord was confronterend.
Bij 42 van de 50 overleden personen was tijdens het incident sprake van verward gedrag. Bij 84 procent zagen we een stapeling van problemen: psychische problemen, middelengebruik, problemen met wonen, relaties of financiën. Zes op de tien waren bekend bij de hulpverlening. Bij 28 van de 40 personen over wie voldoende informatie beschikbaar was, was sprake van psychische problematiek.
Toen het rapport in 2022 verscheen, haalden vooral die cijfers de media. NOS: ‘Doden na politie-ingrijpen waren vaak verward en onder invloed’. Andere media kozen vergelijkbare invalshoeken. NRC stelde misschien wel de belangrijkste vraag: kunnen we ervoor zorgen dat er minder fatale incidenten plaatsvinden?
Zelf zagen wij achter de cijfers iets anders. Het waren bijna nooit geharde criminelen die in een gewelddadige confrontatie met de politie terechtkwamen. Vaak waren het kwetsbare mensen die op dat moment de grip op zichzelf en hun omgeving kwijt waren. Mensen die hulp nodig hadden, maar door hun gedrag tegelijkertijd een gevaar konden vormen voor zichzelf, hun omgeving én de politiemensen die op een melding werden afgestuurd.
Hier is sprake van een ongemakkelijke paradox. Als iemand midden in de nacht schreeuwt, agressief is, onder invloed verkeert of totaal onberekenbaar gedrag vertoont, bellen we de politie. Begrijpelijk. Iemand moet komen. Maar daarmee belandt een maatschappelijk en soms psychiatrisch probleem uiteindelijk bij twee agenten die binnen enkele minuten een situatie moeten beoordelen en beheersen.
Jaarlijks overlijden er circa tien mensen binnen de context van een optreden door de politie, bijvoorbeeld tijdens een aanhouding, na een achtervolging of in een politiecel. Deze zogenaamde ‘fatale politie-incidenten’ zorgen regelmatig voor maatschappelijke discussie als het gaat om de rol van het slachtoffer en de rol van de politie tijdens het incident.
Ons onderzoek liet bovendien zien dat het fatale incident vaak niet uit de lucht kwam vallen. In de periode voorafgaand aan de meeste incidenten waren er al contacten met politie en hulpverlening. Signalen stapelden zich op. En toch kwam er uiteindelijk een moment waarop een acute crisis een politieprobleem werd. Daarom is het te gemakkelijk om na een fataal incident uitsluitend de laatste minuten onder een vergrootglas te leggen.
Natuurlijk moeten we precies weten wat agenten hebben gedaan. Zeker wanneer iemand overlijdt terwijl hij onder verantwoordelijkheid van de politie valt. Onafhankelijk onderzoek door de Rijksrecherche is daarom essentieel. Maar wie werkelijk wil leren van fatale politie-incidenten moet ook de film verder terugspoelen. Wie was deze persoon? Welke problemen speelden er? Welke signalen waren er? Wie kende hem/haar? Welke hulp kreeg hij/zij? Waren er eerdere crisismomenten? En vooral: was er ergens eerder een moment waarop een andere interventie de fatale confrontatie had kunnen voorkomen?
Dat is geen vrijbrief voor de politie. En het is evenmin een manier om de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer te leggen. Het is een oproep om verder te kijken dan het moment waarop het misgaat.
Over de man die afgelopen weekend in Nijmegen overleed, weten we daarvoor op dit moment nog te weinig. De Rijksrecherche moet eerst haar werk doen. Pas daarna kan worden vastgesteld wat er tijdens de aanhouding precies is gebeurd en welke factoren een rol hebben gespeeld.
Maar één les uit ons eerdere onderzoek staat nog steeds overeind. Een fataal politie-incident begint zelden op het moment dat de politie arriveert. Soms begint het weken, maanden of zelfs jaren eerder. En precies daar ligt misschien wel de belangrijkste mogelijkheid om het volgende fatale incident te voorkomen.
Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.

