Column door Henk Ferwerda
Wie de afgelopen jaren de nieuwsberichten over de Kia Boyz heeft gevolgd, ziet vooral jongeren die met een USB-kabel binnen enkele seconden een auto weten te starten. Het lijkt erop dat brutale daders via sociale media een nieuwe modus operandi ontdekt hebben en dat zij deze massaal kopiëren. Maar is dat wel waar het verhaal begint?
Een recent artikel in Crime Science van John Eck, Shannon Linning en Kate Bowers dat kennisactivist Jaap de Waard (inmiddels met pensioen maar hij kon het niet laten) mij toestuurde zette mij aan het denken. Vijftig jaar na het invloedrijke Crime as Opportunity stellen Eck en collega’s een eenvoudige, maar fundamentele vraag. Ontstaat een gelegenheid voor criminaliteit pas wanneer een dader die herkent, of al veel eerder, namelijk op het moment dat iemand onbedoeld een kwetsbaarheid creëert?
In de beleids- en onderzoekspraktijk zijn we vaak gefascineerd door de dader. We schetsen zijn achtergrondkenmerken, reconstrueren zijn route, analyseren zijn keuzes en proberen zijn motieven te begrijpen. Dat is waardevol, maar tegelijkertijd kijken we te weinig naar degenen die – meestal zonder kwade bedoelingen – de omstandigheden creëren waarin criminaliteit kan floreren.
De Kia Boyz illustreren dat treffend. Natuurlijk maakten jongeren gebruik van een kwetsbaarheid. Maar die kwetsbaarheid ontstond niet op TikTok. Die ontstond jaren eerder, toen auto’s zonder startonderbreker op de markt werden gebracht. TikTok maakte de gelegenheid zichtbaar, maar creëerde haar niet.
Als onderzoeker kom ik regelmatig voorbeelden tegen van organisaties die onbedoeld criminaliteitskansen scheppen. Gemeenten ontwerpen pleinen waar informeel toezicht ontbreekt. Winkeliers richten hun zaak zo in dat winkeldiefstal nauwelijks wordt bemoeilijkt. Scholen hebben geen helder beleid rond wapenbezit. Het lukt de overheid niet om de verkrijgbaarheid van zwaar vuurwerk aan banden te leggen. Digitale systemen worden gebouwd zonder voldoende aandacht voor diefstal van en fraude met informatie. Zelfs regelgeving kan nieuwe kansen voor ondermijning creëren.
Vaak spreken we achteraf over slimme daders of falend toezicht, terwijl de vraag misschien eerder zou moeten zijn ‘wie heeft deze gelegenheid eigenlijk gecreëerd?’
Precies daar gaat de bijdrage van Eck en zijn collega’s over. Zij laten zien dat criminaliteitskansen twee gezichten hebben. Aan de ene kant staan de daders die kansen benutten. Aan de andere kant staan ontwerpers, beheerders, bedrijven, overheden en burgers die bewust of onbewust omstandigheden creëren waarin criminaliteit gemakkelijker wordt. Beide perspectieven zijn nodig om criminaliteit werkelijk te begrijpen.
Voor de Nederlandse veiligheidspraktijk is dat geen theoretische discussie. We investeren veel in opsporing, informatiegestuurd werken en persoonsgerichte aanpakken. Dat is terecht, maar minstens zoveel winst valt te behalen door eerder in de keten te interveniëren. Niet nadat een modus operandi viraal is gegaan, maar al tijdens het ontwerp van producten, processen, gebouwen en digitale systemen.
Voorgaande vraagt ook iets van criminologen. Misschien moeten we ons minder uitsluitend richten op de vraag waarom mensen delicten plegen en vaker onderzoeken waarom systemen criminaliteit zo gemakkelijk mogelijk maken. Preventie begint immers niet bij de eerste verdachte, maar bij de eerste ontwerpfout.
Het mooie van het artikel is dat het een ogenschijnlijk oud debat nieuw leven inblaast. Vijftig jaar na Crime as Opportunity wordt duidelijk dat gelegenheid niet alleen iets is wat een dader ziet, maar ook iets wat anderen kunnen creëren én dus ook kunnen voorkomen. Dat inzicht verdient wat mij betreft een vaste plaats in de Nederlandse veiligheidskunde.
Want uiteindelijk geldt nog steeds wat situationele criminaliteitspreventie ons al decennia leert: de beste criminaliteit is de criminaliteit die nooit de kans krijgt om te ontstaan.
Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.
