Waarom vrouwenveiligheid om meer vraagt dan snoeien
Column door Jos Kuppens
Het fietspad ligt er strak bij, badend in het felle, witte licht van gloednieuwe lantaarnpalen. De struiken langs de Holterbergweg tussen Amsterdam en Abcoude zijn rigoureus gekortwiekt. Het is een direct antwoord van de omliggende gemeenten op de gruwelijke moord op de 17-jarige Lisa. Haar dood had grote impact en zette veiligheid van vrouwen op straat definitief en met prioriteit op de politieke en maatschappelijke agenda.
Hoewel het thema vrouwenveiligheid al decennia opduikt – denk aan de feministische golven en de introductie van beleid tegen huiselijk geweld in de jaren tachtig – is het karakter van het publieke debat veranderd. Het gaat niet langer alleen om statistieken achter de voordeur, maar om het opeisen van de publieke ruimte. De cijfers liegen er immers niet om: uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat maar liefst twee op de drie jonge vrouwen geconfronteerd worden met straatintimidatie. En een op de vier Nederlandse vrouwen voelt zich regelmatig ronduit onveilig op straat.
Pleisters plakken op de gevoelige plek
Gemeenten en instanties ondernemen allerlei acties om de veiligheid voor vrouwen te verhogen. Zo trekt Amsterdam miljoenen euro’s uit voor een breed actieprogramma en sluiten andere steden zich aan bij het landelijke Programma Veilige Steden. De getroffen maatregelen vallen grofweg uiteen in twee categorieën:
- Ruimtelijke ingrepen: het snoeien van struiken, het plaatsen van extra cameratoezicht en het opschroeven van de straatverlichting.
- Technologische en repressieve middelen: de inzet van speciale meldapps, extra handhavers (boa’s) op strategische plekken en de hernieuwde roep om pepperspray.
Wat zegt de wetenschap?
Werken deze maatregelen echt? Criminologische en sociologische onderzoeken, laten een genuanceerd en daarmee soms ongemakkelijk beeld zien. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen veilig zijn (objectief) en je veilig voelen (subjectief).
Wetenschappelijk onderzoek naar fysieke ingrepen toont bijvoorbeeld aan dat meer licht en minder struiken weliswaar de angst voor criminaliteit effectief verminderen, maar de daadwerkelijke criminaliteitscijfers nauwelijks omlaag brengen. Het ruimtelijk herontwerpen van een straat verplaatst het probleem vaak naar de volgende donkere hoek. Meldapps werken voornamelijk achteraf: ze registreren het incident of vergroten de pakkans, maar ze voorkomen de traumatische ervaring op het moment zelf niet. En cameratoezicht, van slimme deurbel tot surveillancecamera, ondersteunt vooral in de opsporing, niet tijdens het incident zelf. Pijnlijk om te moeten constateren is ook dat niet alle surveillancecamera’s live worden uitgekeken, waardoor een soort schijnveiligheid wordt gecreëerd.
Momenteel door Bureau Beke uitgevoerd onderzoek
Als bureau zijn we momenteel bezig met verschillende onderzoeken op het gebied van sociale veiligheid in de openbare ruimte. Een belangrijk onderdeel van deze onderzoeken is dat we de mening van (potentiële) slachtoffers meenemen; een naar onze mening essentieel onderdeel van dergelijk onderzoek.
De olifant in de openbare ruimte
Hier wringt de schoen en kan gerust gesproken worden van een ‘veiligheidsparadox’ (extra zichtbare maatregelen die het onveiligheidsgevoel zelfs kunnen aanwakkeren). Bovendien suggereert snoeien dat de struik het gevaar vormt. En het gebruik van veiligheidsapps of het uitdelen van alarmpjes legt de verantwoordelijkheid impliciet weer bij het slachtoffer, met als boodschap: vrouwen, wapen u tegen de buitenwereld.
Vrouwenveiligheid moet daarom breder onderzocht worden. De openbare ruimte is namelijk niet inherent gevaarlijk vanwege een gebrek aan lantaarnpalen, maar vanwege de aanwezigheid van individuen – statistisch gezien nagenoeg uitsluitend mannen – met verkeerde intenties. Een effectieve aanpak vraagt daarom niet alleen om scherpere scharen voor de plantsoenendienst, maar om ingrijpende cultuur- en gedragsverandering bij mannen. Zolang die blinde vlek in stand blijft, blijft vrouwenveiligheid een kwestie van schijnbare veiligheid rondom een gesnoeid bosje.
Over de auteur
Jos Kuppens is socioloog en voert onder andere onderzoek uit naar overlast en alcohol- en druggebruik in uitgaanssetting, huiselijk en eergerelateerd geweld, maatschappelijke opvangproblematiek, sociale veiligheid en interventies voor jeugd, asielzoekers en (ex-)gedetineerden.
