Gerichte afschrikking: geen Amerikaanse hype, maar serieuze optie voor Nederland

In Columns, Nieuws by

Column door Henk Ferwerda

In Nederland kent de discussie over geweld en ondermijning een vertrouwd patroon. Na een schietincident of explosie klinkt de roep om hard optreden. Daarna volgt de waarschuwing voor overreactie, stigmatisering en juridisering. Tussen die twee polen zoeken bestuurders, politie en openbaar ministerie iets wat aantoonbaar, duurzaam en uitlegbaar werkt.

Een recent overzichtsartikel van Braga, Turchan en Weisburd (2026) biedt in dat debat relevante munitie. In een systematische review van vijftig evaluaties – waaronder negen gerandomiseerde experimenten – concluderen zij dat focused deterrence gepaard gaat met een gemiddelde criminaliteitsreductie van ongeveer 23% ten opzichte van controlegebieden. In de strengste onderzoeksopzetten (RCT’s) ligt dat effect lager, maar nog steeds substantieel: ongeveer 16%. Vooral interventies gericht op groeps- en wapengeweld laten duidelijke effecten zien. Dat is geen klein bier!

Wat is het eigenlijk?

Gerichte afschrikking c.q. focused deterrence combineert drie elementen:

  1. Selectiviteit: focus op een kleine groep zeer actieve plegers of netwerken.
  2. Duidelijke communicatie: expliciete normstelling (‘dit gedrag stopt nu’) en aankondiging van consequente handhaving.
  3. Carrot and stick: handhaving én hulp – zoals werk, zorg, begeleiding – voor wie wil stoppen.

Het is geen generieke ‘zero tolerance’, maar een fijnmazige, probleemgerichte aanpak. Handhaving wordt geconcentreerd op wie disproportioneel veel schade veroorzaakt. Tegelijk wordt de groep uitgenodigd om de-escalerend gedrag te vertonen met zicht op alternatieven.

Past dit bij Nederland?

De Nederlandse situatie verschilt van de Amerikaanse. We hebben minder vuurwapengeweld, een andere rechtscultuur en een sterker sociaal vangnet. Maar de kern van het probleem – geweld geconcentreerd in kleine, hechte netwerken – herkennen we wel degelijk. Denk aan criminele jeugdgroepen, drillrap-achtige rivaliteiten, georganiseerde drugsnetwerken of notoire veelplegers die buurten ontwrichten.
Juist in die context is het interessant dat de review laat zien dat effecten vooral optreden bij groepsgerelateerd geweld. Dat raakt direct aan onze persoonsgerichte aanpakken, zoals de PGA en netwerkbenaderingen. Wat wij soms versnipperd organiseren – via zorg- en veiligheidshuizen, wijkteams, reclassering en politie – wordt in het focused deterrence-model expliciet geïntegreerd en gecommuniceerd.

Het verschil zit niet alleen in de interventie, maar in de boodschap: ‘…Het geweld is niet acceptabel. Jij staat onder bijzondere aandacht. Als het doorgaat, volgen gerichte en zichtbare consequenties. Wie wil stoppen, krijgt hulp’.

Dat is helder, concreet en moreel geladen met betrokkenheid van gemeenschap en ouders. De review wijst er bovendien op dat in een aantal studies ook positieve effecten op percepties in de gemeenschap zijn gevonden. Dat is cruciaal in een tijd waarin legitimiteit onder druk staat.

Geen wondermiddel

Tegelijk waarschuwen de auteurs terecht voor implementatieproblemen. Bijna de helft van de studies rapporteert uitvoeringsproblemen: gebrek aan consistentie, onvoldoende opvolging en gebrekkige samenwerking. In twee RCT’s bleven effecten uit, mede door falende uitvoering.

Dat is herkenbaar. Ook in Nederland zien we dat persoonsgerichte aanpakken staan of vallen met bestuurlijke rugdekking, informatiepositie en doorzettingsmacht. Zonder gedeelde urgentie en duidelijke rolverdeling verwatert de aanpak.

Gerichte afschrikking vraagt dus om:

  • scherpe selectiecriteria;
  • een gezamenlijke interventiestrategie (politie, OM, gemeente, zorg);
  • geloofwaardige en snelle opvolging bij normschending;
  • én ondersteuning op maat voor wie uitstapt.

Dat is organisatorisch veeleisend.

De Nederlandse vertaalslag

De vraag is niet of we het Amerikaanse model moeten kopiëren. De vraag is of we de onderliggende principes beter kunnen benutten:

  • Meer expliciete normcommunicatie richting deviante groepen.
  • Meer selectiviteit in handhaving, minder brede symbolische acties.
  • Meer zichtbare koppeling tussen overtreding en directe consequentie.
  • Meer actieve betrokkenheid van lokale gemeenschappen in het normatieve appel.

In feite raakt dit aan de kern van de kerntakendiscussie in het veiligheidsdomein: scherpte in prioritering, focus op de meest schadelijke actoren en een betere balans tussen repressie en preventie.
De review van Braga c.s. maakt één ding duidelijk: gerichte afschrikking is geen modieuze hype, maar een aanpak met een inmiddels stevige empirische basis. De effecten zijn niet spectaculair groot, maar wel consistent en robuust ook in strengere onderzoeksdesigns.

Voor Nederland ligt hier geen kant-en-klaar recept, maar wel een uitnodiging: durf scherper te kiezen, durf explicieter te communiceren en organiseer de samenwerking zo dat dreiging én perspectief geloofwaardig zijn.

In een tijd waarin het geweld soms weer grilliger en zichtbaarder wordt, kunnen we ons geen vrijblijvende aanpak permitteren. Gerichte afschrikking laat zien dat focus letterlijk het verschil kan maken.

Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.