Demonstreren mag, intimideren niet

In Columns, Nieuws by

Column door Henk Ferwerda

Wat zich de afgelopen weken in onder andere Loosdrecht, Apeldoorn, Den Haag en Den Bosch afspeelde, laat zien hoe snel maatschappelijke onrust kan omslaan in ontregeling. Demonstraties tegen de komst van asielzoekers begonnen met spandoeken, toespraken en zorgen van bewoners, maar eindigden op meerdere plekken met vuurwerk richting politie, brandstichting en de inzet van de Mobiele Eenheid. In Loosdrecht werden zelfs brandweer en hulpdiensten belaagd bij een brand bij een opvanglocatie. De vraag is niet alleen wat hier gebeurt, maar vooral: wat leren we hiervan?

Uit ons onderzoek Leren van demonstreren blijkt dat veel demonstraties tegenwoordig niet meer uitsluitend lokaal ontstaan. Sociale media versnellen emoties, versterken wantrouwen en trekken ook mensen van buiten aan die vooral komen voor confrontatie, spektakel of ontregeling. Demonstraties krijgen daardoor een hybride karakter: een deel bestaat uit bezorgde inwoners, een ander deel uit activisten, relzoekers of mensen die vooral anti-overheidssentimenten willen uitdragen. Dat zagen we eerder bij coronaprotesten, boerenacties en anti-overheidsdemonstraties. Nu zien we vergelijkbare patronen rondom asielopvang.

Daarmee wordt iets belangrijks zichtbaar: achter deze protesten zit vaak meer dan alleen weerstand tegen een azc. Het gaat ook over het verlies van vertrouwen in de lokale politiek vanwege landelijke politieke wanorde. Het gaat over wantrouwen richting bestuurders en de overtuiging dat besluiten “van bovenaf” worden opgelegd. Dat sentiment verdient serieuze aandacht. Wie iedere demonstrant wegzet als extremist, maakt dezelfde fout als degenen die geweld proberen goed te praten vanuit “boosheid van inwoners”.

Tegelijkertijd moeten we glashelder zijn: geweld, intimidatie en ontregeling horen niet bij demonstreren. Zodra de brandweer wordt tegengehouden of vuurwerk naar agenten wordt gegooid verschuift een protest van democratisch recht naar openbare-ordeprobleem. Dan gaat het niet langer om meningsuiting, maar om druk uitoefenen via angst en chaos.

Juist daarom moeten bestuurders voorkomen dat situaties escaleren in een wij-zij-tegenstelling. Alleen repressie is onvoldoende. Uit ervaring weten we dat harde politieoptredens zonder contact en communicatie soms juist nieuwe mobilisatie oproepen. Maar het omgekeerde geldt ook: begrip tonen zonder grenzen te stellen leidt tot normalisering van intimidatie. De kunst is om vroegtijdig zichtbaar gezag te combineren met nabijheid, communicatie en duidelijke kaders. Dat vraagt om drie dingen:

  1. Vroegtijdige signalering. Gemeenten en politie moeten beter zicht krijgen op online mobilisatie, aanjagers en het kantelpunt waarop een protest dreigt over te gaan in ordeverstoring.
  2. Onderscheid maken. Niet iedere demonstrant is een relschopper. Wie vreedzaam demonstreert moet ruimte krijgen. Wie geweld organiseert of faciliteert moet snel en zichtbaar worden aangepakt.
  3. Investeren in lokaal vertrouwen. Veel onrust ontstaat waar bewoners het gevoel hebben dat besluiten al genomen zijn voordat gesprekken beginnen. Transparantie, uitleg en echte participatie zijn geen garantie tegen protest, maar wel tegen escalatie.

De grootste fout zou zijn om deze gebeurtenissen alleen als incidenten te zien. Loosdrecht, Den Haag, Apeldoorn en Den Bosch laten zien dat demonstraties rondom migratie kunnen uitgroeien tot een nieuwe voedingsbodem voor maatschappelijke onrust en ontregeling. Niet omdat Nederland massaal radicaliseert, maar omdat onvrede, sociale media, wantrouwen en groepsdynamiek elkaar steeds sneller versterken.

Demonstreren is een fundamenteel recht in een democratie. Maar een democratie kan alleen functioneren als ook de grens helder blijft tussen protest en intimidatie. Die grens bewaken is geen taak van alleen politie of burgemeesters. Dat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ons allemaal.

Over de auteur
Henk Ferwerda is criminoloog, politieonderzoeker en inhoudelijk directeur van Bureau Beke. Sinds 1986 publiceert en adviseert hij op diverse terreinen van de criminaliteit, het veiligheidsbeleid en de strafrechtsketen. Hij is gepromoveerd aan de RUG op het onderwerp criminele carrières van jeugdige delinquenten. Onderzoeken en publicaties waarbij hij recent betrokken is, liggen onder andere op het terrein van jeugdcriminaliteit, gewelddadige en criminele jeugdgroepen, jonge aanwas en doorgroeiers in de georganiseerde misdaad.